Frappé

Vanaf de jaren negentig tot, zeg maar, halverwege de jaren 2000 gingen we regelmatig op vakantie naar de Griekse eilanden, zowel de Ionische als de eilanden in de Dodekanesos-archipel.

Eén van de dingen die mij tijdens de eerste vakantie opviel, was dat er op de terrassen door de Grieken zelf vaak een lichtbruine drank met een dikke schuimlaag en veel ijsblokjes werd gedronken. Nooit zag ik dat iemand zomaar het glas aan zijn mond zette, maar altijd met een rietje.
Beter, want een enorme bruine snor is ook geen gezicht.

Ik vroeg mij af of het een chocolade- of een soort koffiedrank was.
Nader onderzoek van de menukaarten wees uit dat het om een ijskoffie ging, op de kaart aangeduid als Frappé. Als ik het me goed herinner, heb ik het niet eens tijdens de eerste Griekse vakantie gedronken; ik zag het kennelijk meer als een lokaal gebruik: “wat de boer niet kent, dat drinkt ie niet.”

Ik heb het waarschijnlijk pas een jaar later, toen we op een “drie-eilandentrip” waren, tijdens een kort verblijf op Patmos voor de eerste keer gedronken.
We moesten op de boot wachten en zochten een terrasje op, waar overigens ook een prachtige, grote spierwitte kater rondhing, die ik daar vijf jaar later — toen helaas in erbarmelijke staat — opnieuw zou aantreffen.😸

Ik bestelde een Frappé. De ober vroeg op z’n beste Grieks: ‘with sugar and milk?’ Ik realiseerde me helemaal niet dat er verschillende versies van waren en antwoordde spontaan ‘yes!’
(Raar, want ik drink m’n koffie al vijftig jaar zwart.)
Dicky trok een vies gezicht alsof ze zeggen wilde: ‘jij liever dan ik,’ en bestelde verse sinaasappelsap.🍊

Omdat het een drankje is met veel schuim en ijsblokjes, is het zonde om het in een paar minuten op te drinken. Immers, als het geserveerd wordt, is er — buiten de eventuele melk — nog niet zo gek veel vloeistof aanwezig. De ijsklontjes moeten nog smelten en zich, door langzaam te roeren met je rietje of een roerstaafje, verbinden met het dikke koffieschuim. Je moet er, onder een parasol, in gedachten verzonken (of juist niet), een krant lezend (inmiddels is dat je smartphone) of gezellig babbelend, rustig van genieten. Ik ben nooit zo’n frisdrankdrinker geweest; ik vond en vind dit wél heel lekker en verfrissend. Zo werd het jarenlang mijn ideale terrasdrankje tijdens Griekse vakanties.

Afgelopen zomer was ik sinds jaren weer op Kos en, eenmaal los gelaten op het terras, ervaarde ik al vrij snel een ‘Oh ja! – moment,’ dat is zeg maar een ‘aha! – erlebnis,’ maar dan anders..

Waarna ik direct weer in die oude gewoonte verviel .

Maar waar komt het nu precies vandaan en hoe maak je het eigenlijk? Is het een oude Griekse traditie of is het van recentere datum? Ik ben er samen met mijn vrienden Google en Chat even ingedoken.

Wat blijkt?
De Griekse Frappé is in 1957 tijdens de “Internationale Jaarbeurs van Thessaloniki” ‘per ongeluk’ uitgevonden door Dimitrios Vakondios.
Hij werkte voor Nestlé en demonstreerde daar een nieuw chocoladedrankje dat je met een shaker moest maken. Zélf wilde hij koffie drinken, maar hij had geen heet water tot zijn beschikking. Dus deed hij oploskoffie en koud water in een shaker en schudde dit krachtig, met schuimige, koude koffie tot resultaat: Frappé.

Het recept onderging nog wat kleine aanpassingen, waar ik nog op terugkom, maar binnen enkele jaren werd het dé standaard ijskoffie van Griekenland. De Frappé werd zo populair dat het jarenlang hét nationale koffiedrankje was, vooral in de jaren ’70–’90.

Samenhangend met de opkomst van zonvakanties naar Griekse eilanden zoals Kos, Kreta en Rhodos, zien toeristen locals Frappé drinken en nemen dat geleidelijk over. Waarom juist toeristen het oppikten, is denk ik hierom:
– IJskoud → perfect in een warm klimaat
– Redelijk geprijsd en overal verkrijgbaar
– Opvallend schuim → visueel aantrekkelijk
– Je zit er lang mee op een terras (typische Griekse cultuur)

Nou, ik bén zo’n toerist, en een halfjaar nadat Cor en Don me weer thuisbrachten — onlangs dus eigenlijk — bedacht ik me dat ik zélf wel Frappé zou willen maken. Zó moeilijk kan dat niet zijn, toch?
Dus ik ging weer samen met m’n vrienden Google en Chat, ondersteund door YouTube, op zoek naar de receptuur.

Ik kwam er al vlot achter dat ik niet de enige ben; er zijn een veelvoud aan filmpjes en recepten online te vinden. Ook werd me al snel duidelijk dat ik daar wel het juiste gereedschap voor nodig had, in de vorm van een zogeheten melkopschuimer.
Let wel: in dit geval niet om melk op te schuimen — dát moet in het geval van Frappé juist niet!

Dus onderstaand apparaatje besteld voor € 14,95 en geduldig de levering afgewacht.

Vervolgens kocht ik oploskoffie. Nu hoor ik je denken: ‘oploskoffie is toch een soort goedkoop surrogaat voor vers gezette koffie, in welke vorm dan ook?’

Nou, dat mag dan wel voor warme koffie opgaan, maar niet voor deze ijskoffie. Er komt namelijk een speciale eigenschap van oploskoffie om de hoek kijken: de sterke schuimvorming bij kloppen met koud water. Een espresso kun je niet tot schuim kloppen.

In bijna alle beschrijvingen en filmpjes die ik zag, wordt er “Nescafé Classic” oploskoffie gebruikt. Wat blijkt? Deze is niet te koop in Nederland! Dus ik dacht: ik koop een wat luxere versie, “Nescafé Gold”. Kan alleen maar beter zijn, toch?
NIET dus! Schuimt voor geen meter.

Vervolgens ben ik me wat gaan verdiepen in de eigenschappen van de juiste koffie en kwam erachter dat er goede en goedkope alternatieven zijn. Ik kwam uit bij “Barissimo Aroma” van de Aldi, 200 gram voor slechts € 4,95.
Schuimt als een dolle en is prima van smaak. Hiermee had ik wel een beetje geluk, want als je pas na tien soorten bij de juiste uitkomt, wordt het een dure grap.

Uiteindelijk zijn er meerdere wegen die naar Rome leiden, maar hieronder staat het recept waarop ik, na enig experimenteren, ben uitgekomen. En echt: het is net zo lekker als in Griekenland — zélfs een van de betere versies, mag ik wel zeggen.

RECEPT
Ingrediënten (die ík gebruik):
2 à 2,5 theelepels oploskoffie (bijv. Barissimo Aroma)
1 theelepel suiker (optioneel)
1 eetlepel ijskoud water (flesje water uit de koelkast)
3 ijsklonten, of nog mooier: een handvol kleine ijsklontjes
ijskoude melk of water (met melk is romiger)
1 longdrinkglas
1 rietje

Bereiding:
Doe de oploskoffie, suiker en een eetlepel ijskoud water in een glas.
Klop dit met de melkschuimer (~ 30 seconden) tot een dik, lichtbruin schuim ontstaat.

Als je het glas ondersteboven houdt, mag het schuim er niet uitlopen. Als dat toch gebeurt is het niet goed: dan is of de oploskoffie niet geschikt, of het water niet koud genoeg.

Het glas zal zich door het kloppen ongeveer voor 1/3 vullen met koffieschuim. Vervolgens gooi ik de ijsklontjes gewoon in het schuim en giet daarna voorzichtig, langs de rand van het glas, de koude melk erin totdat het schuim nét boven de rand staat. Rietje erin, een beetje roeren; de ijsklontjes zinken vanzelf en het schuim komt naar boven.

Draai de cv-thermostaat naar 30 graden, zet muziek van Mikis Theodorakis op, doe alsof je op vakantie bent en geniet van je zelfgemaakte Frappé.

Terug naar 1984

Over macht, waarheid en het ontstaan van drie superstaten
Toen George Orwell in 1949 zijn boek ‘1984’ publiceerde, was het geen voorspelling maar een waarschuwing. Het beschreef geen toekomst die onvermijdelijk zou komen, maar een wereld die kón ontstaan wanneer macht, ideologie en technologie samenvallen zonder democratische tegenmacht. Toch is het moeilijk om de huidige geopolitieke ontwikkelingen te bekijken zonder parallellen te zien met Orwells drie superstaten: Oceanië, Eurazië en Oost-Azië.

In Orwells wereld is de aarde verdeeld in drie vrijwel stabiele machtsblokken die voortdurend in wisselende oorlog zijn. Die oorlog is niet bedoeld om te winnen, maar om interne controle te legitimeren. De vijand is noodzakelijk; hij rechtvaardigt surveillance, repressie en het opofferen van individuele vrijheid. De bevolking hoeft niet te begrijpen waarom men vecht — alleen dát men vecht.

Machtssferen en hertekening van grenzen
Kijken we naar de wereld van nu, dan zien we grote mogendheden die expliciet spreken in termen van invloedssferen en historische aanspraken. Rusland beschouwt Oekraïne niet als een soevereine staat, maar als een verloren onderdeel van een groter geheel. China ziet Taiwan als onafscheidelijk deel van zijn nationale identiteit. De Verenigde Staten spreken steeds openlijker over strategische controle over regio’s als Groenland en delen van Latijns-Amerika.
Belangrijk is dat deze claims zelden puur militair worden gepresenteerd. Ze worden verpakt als historisch recht, veiligheid, culturele eenheid of bescherming tegen chaos. Precies dat mechanisme herkennen we uit 1984: macht legitimeert zichzelf door het herschrijven van het verleden. Wie het verleden controleert, controleert de toekomst.

Nationalisme dat uitmondt in supranationalisme
Op het eerste gezicht lijkt de vorming van grote machtsblokken strijdig met extreemrechtse, nationalistische ideologieën, die juist soevereiniteit en nationale identiteit benadrukken. Maar dit is geen echte tegenstelling. In 1984 bestaan de superstaten niet uit vrijwillige federaties, maar uit gedomineerde gebieden die onder een ideologisch narratief zijn gebracht.
Nationalisme kan, eenmaal aan de macht, paradoxaal genoeg uitmonden in imperialisme. De “eigen natie” wordt dan gedefinieerd als groter dan haar huidige grenzen: historisch, etnisch of cultureel. In dat licht is het niet ondenkbaar dat in grote Europese landen autoritaire leiders opstaan die nationale ressentimenten gebruiken om een bredere, autoritaire Europese machtsstructuur te rechtvaardigen — een Eurazië in Orwells betekenis, niet als vredesproject maar als machtsapparaat.

De veranderlijke waarheid
Een van de meest verontrustende elementen van 1984 is niet de alomtegenwoordige surveillance, maar de instabiliteit van waarheid. Waarheid is geen vast gegeven, maar iets wat voortdurend wordt aangepast aan de behoeften van de macht. Oorlogen beginnen en eindigen zonder aankondiging; bondgenoten worden vijanden en omgekeerd; en de bevolking wordt geacht dit zonder innerlijk conflict te accepteren.
Ook vandaag zien we hoe informatieoorlogen, desinformatie en “alternatieve feiten” een structureel onderdeel zijn geworden van geopolitiek. Niet alleen autoritaire staten maken zich hier schuldig aan; ook democratieën manipuleren narratieven, zij het subtieler. De strijd om macht is steeds vaker een strijd om interpretatie: wat is agressie, wat is verdediging, wat is waarheid?

Drie Big Brothers?
Orwell schreef over één Big Brother, maar impliceerde dat elk machtsblok zijn eigen equivalent heeft. In een wereld van drie superstaten is totale vrijheid nergens te vinden — alleen verschillen in stijl en rechtvaardiging. Dat is misschien de meest actuele les van 1984: onderdrukking hoeft niet uniform te zijn om systemisch te worden.
Als de wereld zich inderdaad ontwikkelt richting een beperkt aantal gesloten machtsblokken, dan is de vraag niet alleen of Orwell gelijk krijgt, maar hoe. Niet als exacte kopie, maar als structuur: permanente dreiging, flexibele waarheid en burgers die veiligheid verkiezen boven vrijheid.

Slot
1984 was geen handleiding voor de toekomst, maar een meetlat. Hoe meer de wereld zich laat beschrijven in termen van absolute vijanden, historische noodzakelijkheid en onbetwijfelbare leiders, hoe relevanter het boek wordt. Dat maakt het niet profetisch, maar urgent.
De waarheid is in Orwells wereld veranderlijk — maar juist daarom is het vermogen om waarheid te herkennen en te verdedigen de laatste vorm van vrijheid. Of, om Orwell impliciet te parafraseren: als iedereen wordt gedwongen te geloven dat twee plus twee vijf is, dan is de grootste daad van verzet blijven zeggen dat het vier is.

Volendam

Ik heb een tyfushekel aan Volendam en aan Volendammers. Dat is al zo sinds mijn puberteit, toen ik die verschrikkelijke zeikmuzak van The Cats op de radio hoorde of voorbij zag komen bij AVRO’s Toppop. Om nog maar te zwijgen over alle bagger die er later nog achteraan kwam en nog steeds komt. Ik ga ze hier niet allemaal noemen, maar neem dat bandje dat niet eens in staat was een fatsoenlijke naam voor hun gezelschap te bedenken. Aanvankelijk waren ze nog een aardig rockbandje, al niet erg succesvol; uiteindelijk besloten ze maar dezelfde weg in te slaan als hun bekende dorpsgenoten. Ze gingen ook de zogenaamde Palingsound vertolken, deels zelfs in het Frans.
Bwah. Dat mogen alleen Fransen of Belgen; die kunnen dat.

   In die tijd hadden mediaspelers—radio’s—nog niet de mogelijkheid gebruik te maken van een algoritme. De radio hield geen rekening met mijn voorkeuren. Ik moest en moet dus nog steeds handmatig, al dan niet met behulp van een afstandsbediening, de tv of streaming­speaker uitzetten of een andere zender kiezen wanneer dergelijke drek voorbij komt.

   Ik kan er niets aan doen; het is ook iets fysieks. Mijn lichaam reageert erop. Mijn maag trekt samen en stuurt zijn inhoud terug richting slokdarm.

   Kennelijk was ik me er destijds al onbewust van bewust —contradictio in terminis— dat liefhebbers van dit soort muzak vaak een conservatief, traditioneel wereldbeeld hebben. Het zijn meestal dezelfde bange mensjes die zich vastklampen aan oude tradities en als de dood zijn dat er iets verandert. Althans: ze dénken dat het al eeuwenoude tradities zijn. Maar, zijn het dat wel?

   Vanaf 1950 beïnvloedden vooral warenhuizen, voedingsmiddelenproducenten en speelgoedketens het koopgedrag door tradities consequent te integreren in reclame. Etalages, folders, radio- en tv-advertenties en productontwikkeling. De kern van hun strategie: huiselijkheid, nostalgie en rituelen. Zo kwam de zogeheten traditie echt op gang.

Populistische politieke “partijen”—voor zover je daar al van partijen kunt spreken—hebben dat goed begrepen en haken daar met succes op in. De media van vroeger zijn daarbij, naar Amerikaans-Russisch voorbeeld, vervangen door berichten op sociale media voorzien van door AI gegenereerde afbeeldingen met teksten die sterk inzetten op nationalisme, afkeer van vreemdelingen en hang naar traditie.

   Daarvoor gevoelige, vaak wat minder ontwikkelde mensen (en daarmee bedoel ik niet per se opleidingsniveau) die vastzitten in een door het algoritme gegenereerde bubbel, maar waar ook omgevingsfactoren een grote rol spelen, trappen daar gemakkelijk in. Uitgekiende propaganda dus, waar—naar goed nazigebruik, zij hebben het tenslotte uitgevonden—handig gebruik van wordt gemaakt.

   Gezien het stemgedrag bij de laatste twee Tweede Kamerverkiezingen is de plaatselijke bevolking van het vissersdorp daar een treffend voorbeeld van.

Volendam is een roomse PVV-enclave die men, wat mij betreft, tijdens de Reformatie al met spades rondom had moeten lossteken en moeten laten afzinken in de toenmalige Zuiderzee.

(Die ballade is wél mooi.)


De proppenschieter

Laatst zat ik even te chillen op m’n balkon, dat zich bevindt aan de achterzijde van mijn woning op één hoog in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Je kijkt daar uit over binnentuinen die allemaal verschillend zijn ingericht. Een rommelige bende, maar toch ook weer een gezellig uitzicht.

   In één van de tuinen staan een paar vlierbomen, of moet ik gewoon zeggen “vlieren”. Als er in oktober bessen aan komen, zie je de vogels — voornamelijk duiven — daar op alle mogelijke acrobatische manieren, vaak ondersteboven hangend, van eten. De gevolgen daarvan vind je aan de straatzijde van het huis terug op de auto’s die onder de bomen geparkeerd staan, in de vorm van dikke rode plakken vogelpoep die je er maar met moeite afkrijgt.

   De vlieren, de vorm van de stam en de takken, waarin om de zoveel centimeter een ringvormige verdikking zit, deden me terugdenken aan een gebeurtenis uit mijn jeugd.

   Eens heb ik op een zaterdagmorgen de vader van mijn buurjongen, Wibo, een proppenschieter zien maken van een dik stuk vlierenhout. Hij had een recht stuk stam van zo’n 25 à 30 centimeter afgezaagd, met een doorsnede van ongeveer acht centimeter. De binnenkant van vlierhout is zacht, en met een stukje betonijzer van ongeveer dezelfde lengte en een centimeter dik had hij de zachte kern eruit geperst. Waarschijnlijk heeft hij daarmee ook meteen de binnenkant wat gladder geschraapt. Zo ontstond een korte, holle houten buis.

   Daarna pakte hij een ander stuk hout en maakte daar een blokje of klos van, van ongeveer 10 × 6 × 6 centimeter. In het midden van het blok, in de lengterichting, boorde hij een gat; niet helemaal door en door, maar tot ongeveer halverwege. De diameter van dat gat was een paar millimeter kleiner dan de dikte van het betonijzer. Met een klauwhamer tikte hij de staaf in het blok, waardoor het geheel de vorm kreeg van een korte hamer: een houten kop met een betonijzeren steel.
Nu had hij dus een holle vlierhouten buis en een ‘hamer’ bestaande uit betonijzer met een houten blok.

   Ik herinner me dat hij vervolgens de proppen ging maken van wat hij kalmoes noemde. In mijn herinnering waren dat stugge waterwortels die bij ons in de buurt in de sloot groeiden, de Nieuwe Wetering. Het spul heeft een specifieke, warm kruidige, bijna medicinale geur. Later heb ik eens ergens gelezen dat het ook wordt gebruikt in kruidenbitters, zoals Hooghoudt Kalmoes Beerenburg.

   Hij sneed cilindervormige stukjes van die kalmoeswortel, net iets dikker dan de opening van de vlierhouten buis, en tikte ze er met de houten blokkant van de hamer in. Eén van de proppen duwde hij vervolgens met het andere uiteinde — de kant van het betonijzer — iets dieper de buis in.

   Daarna zette hij het houten blok van de hamer tegen zijn borst en hield het betonijzer recht vooruit. De vlierhouten buis hield hij ook recht voor zich en plaatste hij met één uiteinde over het betonijzer, precies op het punt waar hij de prop iets verder had ingedrukt.

   Toen kwam het: hij greep de buis met beide handen vast en trok hem met kracht naar zijn borst. Met een luide plop schoot aan de andere kant van de buis de prop met grote kracht het luchtruim in. Ik vond het prachtig.

   Net toen hij weer een prop had geplaatst en klaarstond om te schieten, hoorden we achter ons het loeien van een koe uit het weiland. Dat weiland grensde direct aan het erf achter hun huis, alleen gescheiden door een smalle moddersloot met een hoge berm. Wibo’s vader keek even op, grinnikte, richtte de buis iets omhoog en zei: ‘Effe kijken of ze schrikken.’

   Hij trok de buis met kracht naar zich toe. De prop vloog met een harde plop dwars over de sloot. We zagen hem in een perfecte boog richting het weiland gaan, waar hij precies op de brede rug van een nietsvermoedende koe neerkwam. Het dier loeide luid, sprong opzij en rende in paniek een stuk verder het weiland in, waardoor de rest van de kudde ook begon te draven alsof er een onzichtbare hond achter ze aan zat. Wibo en ik lagen dubbel van het lachen. Zijn vader probeerde zijn gezicht in de plooi te houden, maar moest zichtbaar moeite doen om niet mee te lachen. ‘Zo,’ zei hij droog, ‘dan weten ze in elk geval dat we thuis zijn.’

   Ik zie dit tafereel nog altijd zo voor me. Eigenlijk elke keer dat ik een vlier zie. Maar dit is de eerste keer dat ik het opschrijf, omdat ik nu eenmaal wil vastleggen wat er in me opkomt.

PS
Nadat ik dit had geschreven ben ik naar “proppenschieter van vlierenhout” gaan Googelen, om te kijken of er iets over bekend is. En inderdaad ik vond een foto van het oorspronkelijke ontwerp. Hierbij is het betonijzer een dunne staak gemaakt van een tak, en de klos een cilindervormig stuk hout.

De zandstort

Herinneringen aan onze kindertijd zijn soms moeilijk in een exacte tijd te plaatsen. Een tijdvenster heb je ongeveer wel, maar of je destijds nu 10 of 12 jaar was dat weet je niet meer. Als je bedenkt dat je je pas van jezelf bewust word op ongeveer 4 jarige leeftijd, bestrijkt een tijdvenster van 2 jaar toch al een kwart van je leven op die leeftijd.

   Van ingrijpende gebeurtenissen in ons leven als, sterfdata van familie en geliefden, staat de datum en soms zelf het uur in ons geheugen gegrift. Ongeveer hetzelfde geld voor grote sportpresentaties van een Nationaal voetbalteam of Club, en wie weet er nu niet wat hij deed en waar hij was op 11 september 2001, toen 2 Boeings de Twin Towers invlogen?
Moeilijker wordt het met herinneringen uit onze jeugd, je ziet beelden in je hoofd van waar je was en soms met wie, maar weet niet meer preciés hoe oud je was, je weet alleen dat je nog een kind was.

   Ik weet niet waarom maar aan mij dringt zich regelmatig de herinnering op aan een plek waar ik en m’n vriendjes, zeg maar jongens uit m’n buurt, als kinderen regelmatig speelden. Het moet geweest zijn op een leeftijd waarop de meesten van ons het spelen van: cowboytje, Batman en Robin en Thunderbirds al ontgroeid waren.

   Die plek, eigenlijk bestaande uit twee afzonderlijke plekken, lag op een groot braakliggend terrein aan weerszijden van het Ringvaartaquaduct, waar Rijksweg 4 — de huidige A4, die daar nog steeds loopt — onderdoor gaat, aan de Ringvaartzijde van de toenmalige gemeente Alkemade. Dat terrein werd door onze ouders “de zandstort” genoemd en wie waren wij om dat te veranderen? Dat werd dus de naam van de plek waar we graag naar toe gingen om onze avonturen te beleven. Het was het gebied waar na de bouw van het ringvaart aquaduct en aanleg van rijksweg 4 kennelijk een enorme hoeveelheid zand was overgebleven.    

   Het lag daar niet als een egale zandlaag – dat zou saai zijn – maar heel ongelijkmatig. Er was begroeiing ontstaan, voornamelijk in de vorm van gras, en er hadden zich diverse heuvels, plassen en een kleine zandvlakte gevormd. Die plassen noemden we “het moeras”. We legden er een dam doorheen, met God weet wat voor materiaal. Hier en daar lag kennelijk ook nog wat sloophout van funderingsbekistingen van het aquaduct; misschien sleepten wij er zelf van alles heen of was een eerdere generatie er al actief geweest. Het aquaduct was immers al in 1961 klaar, en ik spreek over de periode rond 1970, toen ik negen tot elf jaar oud was. We bouwden er ook een hut, al groeven we eigenlijk gewoon een groot gat in een van de heuvels. Daar legden we een paar planken en een oude huisdeur overheen en hoopten dat het ging regenen, want dan konden we schuilen in “onze hut.”

PS
De bedoeling is om een uitgebreider verhaal over de zandstort te schrijven, want er is nog zoveel over te vertellen..

Tussen slaap en waak

Vanmorgen droomde ik dat ik in het huis van Rob de Wijk was. Ik liep over een wenteltrap naar boven. Op de treden lag een dikke loper, vastgezet met roeden die aan beide kanten door metalen ogen boven de treden staken. Ik vroeg me af hoe je die loper ooit los kunt halen. Alleen als een van die ogen half open is — als een knipoog misschien.

De loper in mijn droom was geel-beige met figuren. Toch herinner ik me vooral een rode loper, in een herenhuis aan de Prinsengracht in Den Haag, waar een vriend van me eind jaren zeventig een kamer bewoonde. In beide gevallen, droom en herinnering, ging het om een houten trap met een dikke laag witte verf.

In de droom liep ik Robs werkkamer binnen en vroeg of hij misschien een rond wit pilletje had gevonden. Ik was een van mijn Nebivol-tabletten kwijt. Hij rommelde wat tussen de boeken, verplaatste een paar accessoires en zei dat hij niets had gevonden.

Even later zat ik in hetzelfde huis met een platte nagelvijl letters uit oude boeken te bewerken. Niet echt “uitvijlen”, maar minder zwart maken. De gewone tekst bleef zwart, maar de koppen moesten in verschillende tinten grijs — hoe groter de letters, hoe lichter het grijs.

Er kwam een meisje de kamer binnen, misschien zijn kleindochter? Ze riep: “Nee, niet dát boek, dat is van mij! Ik heb het voor mijn verjaardag gekregen.” Ik had er al wat in gevijld; een kop was zelfs bijna doorzichtig geworden. Ze vond het niet heel erg, maar nam het boek mee.

Daarna vijlde ik de aderen op mijn hand en arm rond. Ze waren vierkant van doorsnede, terwijl aderen natuurlijk rond horen te zijn. Het bleek echter geen vlees en bloed, maar een zachte witte steensoort. Ik werkte ineens aan zandstenen beelden, niet aan mezelf.

Toen werd ik wakker.

Ik luister bijna elke avond naar de podcast Boekestijn en De Wijk — vandaar de associatie, vermoed ik.

Wat de rest betekent?
Geen idee..

Honing of..?

Vanmiddag wat boodschappen gedaan bij Dirk van den Broek, ik had onder andere “honing” op m’n lijstje staan. Ik zit momenteel in een “Griekse yoghurt periode”. Ik koop dan regelmatig een emmertje van 1kg, altijd de volvette versie. Ik heb één keer een emmertje magere – of zoals ze dat in marketing termen de low-fat – variant noemen gekocht maar dat was net zalf. Ik eet die yoghurt dan altijd met wat honing erover. De fijnproever zal opmerken dat er dan eigenlijk nog wat verbrokkelde walnoten door moeten, maar dat gaat me dan voor een gewone doordeweekse dag weer iets te ver.

In het betreffende schap stonden diverse smaken en merken, eigen merk: De beste en Melona. Daarbij kan je dan ook vaak nog kiezen uit een gewone glazen pot of een kunststof spuitfles, je weet wel. Waar normaal een draaidop of andere sluiting aan de bovenkant zit, is het bij deze verpakkingsvorm een brede platte dop zodat je de fles op z’n kop kunt neerzetten. Daardoor hoef je hem bij gebruik niet meer op z’n kop te houden om te wachten dat de inhoud langzaam naar beneden stroomt maar deze is direct gebruiksklaar.

Die dop is namelijk, zoals ik al zei plat en meestal ovaal of rond van vorm. Dáárin zit dan in het midden weer een soort van luikje, dat gelijk loopt met het oppervlak van de dop. Dat luikje kan je d.m.v. een lip open trekken en daaronder zit weer een soort van ventielopening, als je dan in de fles knijpt spuit de inhoud er direct uit. Op het moment dat je niet meer in de fles knijpt, sluit het ventiel waardoor je eigenlijk ook bijna niet meer kunt knoeien.
Hartstikke handig dus maar daardoor ook duurder dan een gewone pot honing, mayonaise, ketchup of wat dan ook.

Mijn oog viel op een spuitfles met donkerkleurige honing, nu is er honing in diverse smaken en daardoor ook kleurschakeringen te koop maar, déze was wel heel erg donker. Nadere bestudering van de fles leerde dan ook dat het niet om honing ging maar om “dadelstroop”. Ik wilde het weer terug zetten in het schap maar bedacht me op het laatste moment en besloot ook het etiket op de achterzijde te lezen. Daar las ik o.a. dat het een zoete, fruitige smaak heeft. Lekker door de yoghurt, in een sladressing, over fruit en ijs, en als zoetmiddel bij het bakken van koekjes.

Onder het motto ‘nooit geschoten is altijd mis’ dacht ik: ‘Kom, laat ik het eens proberen!’ Ik verzamelde de rest van de boodschappen op het lijstje, maakte nog een praatje met een bekende die ik tegen kwam, rekende af bij de scankassa en liep naar huis. Daar ruimde ik de boodschappen op maar liet de dadelstroop op het aanrecht staan, want dát wilde ik toch eerst wel even proeven.

Ik deed wat stroop op m’n hand, likte het op en ja hoe omschrijf je een smaak? Ik heb ooit eens een term gelezen die luidde ‘een meervoudig smaakorgasme in de mond’ nou zó iets echt vreselijk lekker! Ik kende de smaak van die gedroogde dadels al wel en die smaak zit er dus ook wel in, maar dan zonder de pitjes. Het is zoet, stroperig (ja haha), vol van smaak iets van karamel, honing met een lichte toon van rozijn en toch ook iets zurigs in de verte..

Straks gaat het door de yoghurt.

Rook en adem

Ik stond op m’n balkon, aansteker en sigaret in de aanslag, asbak bij de hand. Ik bemerkte dat wanneer ik m’n adem uitblies deze zichtbaar werd in de vorm van condens. Het leek alsof er rook uit mijn mond kwam zonder dat ik die sigaret al aangestoken had. Hetgeen een volstrekt normaal verschijnsel is, namelijk je uitgeademde lucht wordt zichtbaar als “rook” (condens) bij een temperatuur onder 10 °C (duidelijk zichtbaar onder +5 °C) en bij een luchtvochtigheid hoger dan 60 %.

Ik herinnerde me dat ik als kind ook ooit die sensatie had en iets riep van ‘hé kijk eens, ik rook!’ Ik weet nog dat als we buiten gingen spelen en het weer aan de hierboven beschreven voorwaarden voldeed, we daar stoer over deden. Immers in onze omgeving, in ieder geval in de mijne, rookte volwassenen bijna allemaal en we konden niet wachten om daar bij te horen.
Ik denk dat veel van mijn generatiegenoten deze of een soortgelijke ervaring delen.

Kinderen van de huidige generatie ouders zijn, gelukkig, niet opgegroeid met deze ervaring en zullen deze sensatie niet begrijpen, of toch?

Ik steek hem in de fik.